Vaccinatie

Preventie is altijd goedkoper dan behandeling. Het vermijdt pijn en moeilijk te genezen gezondheidsproblemen. Bescherming, zelfs door vaccinatie, is niet altijd gemakkelijk. Hieronder vindt u de voornaamste ziekten waartegen u uw hond of kat kunt tegen beschermen onder vorm van een vaccinatie.

Kat

Katteleukose

Katteleukose wordt beschouwd als één der belangrijkste ziekteverwekkers en doodsoorzaken bij de kat. Het kan katten op elke leeftijd besmetten en is zéér besmettelijk. Het vaccineren is aanbevolen vanaf 9 weken. Een volwassen kat dient elk jaar opnieuw gevaccineerd te worden.

Feline Infectieus Peritonititis (FIP)

Feline Infectieus Peritonititis of kortweg FIP kan katten op elke leeftijd treffen, maar vooral jonge en oudere katten of katten die samenleven (bijv. fokkerijen, pensions, …).
FIP is altijd dodelijk binnen de 6 maanden die volgen op het verschijnen van de symptomen. Een eerste vaccinatie is aanbevolen vanaf 16 weken.

Hondsdolheid

Hondsdolheid is altijd dodelijk en is ook gevaarlijk voor de mens.

Panleukopenie (katteziekte)

De katteziekte is een zeer besmettelijk virus en is vaak dodelijk. Vaccineren is aanbevolen vanaf 9 weken. Een volwassen kat dient elk jaar opnieuw gevaccineerd te worden.

Niesziekte

De niesziekte is een luchtwegen infectie. Het sterftecijfer is bij volwassen katten minder dan bij een jonge kat. Eerste vaccinatie aanbevolen vanaf 9 weken en jaarlijks herhalen of telkens wanneer een kat in een pension geplaatst wordt.

HOND

Ziekte van Carré (hondenziekte)

Hondenziekte is een vrij veel voorkomende ziekte die ook bij andere diersoorten voorkomt. De ziekte tast vooral jonge dieren aan maar kan op elke leeftijd voorkomen. Besmettingen gebeuren vooral wanneer veel honden samen komen en de infectiedruk hoog is. Er worden 2 vormen herkend: de acute en de subacute vorm, met vooral luchtweg- en maagdarmontstekingen. Indien de hond hersteld van de acute vorm dan kan hij nadien toch het slachtoffer worden van zenuwstoornissen. Hondenziekte wordt veroorzaakt door een virus, dat nauw verwant is met het mazelenvirus. Het virus wordt via urine braaksel, speeksel en mest; inhalatie van het virus is de meest voorkomende infectieweg. Het virus vermeerdert eerst in de witte bloedcellen en gaat nadien uitzaaien vaar de andere organen, oa:

• Het ademhalingstelsel en de conjunctivae
• Het maagdarmkanaal
• Neus- en zoolkussentjes
• Het zenuwstelsel

Een specifieke behandeling is niet mogelijk. Men kan wel de symptomen bestrijden met intraveneus vochttherapie, anti-diarree, anti-emetica en antibiotica tegen de secundaire infecties.
Vaccinatie is aanbevolen vanaf 6 weken en als volwassen hond een jaarlijkse herhaling van de vaccin.

Parvovirose

Parvovirus infecite (CPV) of de kattenziekte is een vrij recente ziekte. Ze werd het eerst gediagnosticeerd in 1978 en er werd gedacht dat het een mutatie was van het kattenparvovirus, vandaar de naam. Hondeparvovirus heeft echter geen associatie met katten, zoals soms fout beweerd wordt.

Parvovirus veroorzaakt twee aandoeningen:
• Acute hartspierontsteking bij puppies
• Acute maag-darmontsteking bij de overige dieren

Er is sprake van 2 virussen: CPV1 was reeds geassocieerd met diarree, maar in 1978 werd het CPV2 virus ontdekt met de typische symptomen. In 1981 werd er nog een meer diersoort specifieke mutatie ontdekt.

Het virus is bijzonder resistent in de omgeving en kan tot één jaar in de omgeving overleven. Gewone ontsmettingsmiddelen bleken onvoldoende om het virus te neutraliseren, behalve producten op basis van bleekwater en formaline. Sedert de uitbraken van parvovirose zijn er echter een hele boel nieuwe desinfectantia, speciaal hiervoor, ontwikkeld.
Verspreiding van het virus gebeurt vooral door direct contact of door een besmette omgeving.

Het virus wordt oraal opgenomen en vermeerderd in de lymfeknopen. Viraemie heeft 3 à 5 dagen later plaats en het virus gaat vooral sneldelende cellen infecteren; darm, beenmerg, lymfeweefsel en bij puppies de hartspier. De gevolgen zijn een niet te stoppen, bloederige diarree, overgeven, algemene weerstandsverlies met de dood tot gevolg.
De behandeling voor hartspierinfectie is meestal niet succesvol.
De maag-darmsymptomen moeten heel drastisch aangepakt worden met intensieve vochttherapie om uitdroging en shock te bestrijden. Zelfs na herstel kunnen honden blijvend maagdarmproblemen overhouden.
Vaccinatie is aanbevolen vanaf 6 weken en dient jaarlijks herhaald te worden.

Leptospirose

Leptospirose, de ziekte van Weil of ratteziekte wordt veroorzaakt door een bacterie, waarvan 2 types belangrijk zijn voor de hond.

• Leptospira canicola veroorzaakt vooral nierontsteking
• Leptospira icterohaemorrhagica wodrt geassocieerd met leverontsteking, bloedvatbeschadiging en bloedingen met geelzucht tot gevolg.

Geïnfecteerde honden zullen gedurende lange tijd bacterIën uitscheiden via de urine. Indien de urine verdund wordt met water kunnen de bacteriën gedurende lange periode overleven. Ook ratten en hun urine kunne als besmettingsbron fungeren. De ziekte wordt overgedragen door:

• Huidpenetratie
• Via huidwonden
• Via de placenta
• Via de slijmvliezen van maag-darmkanaal of het ademhalingstelsel

De behandeling bestaat uit antibiotica en vochttherapie, eventueel zelfs bloedtransfusies.
Vaccinatie is mogelijk, maar de primovaccinatie bestaat altijd uit 2 vaccinatiebeurten.
De ziekte is ook een zoönose, dwz dat de ziekte ook aan de mens kan overgedragen worden. Personen die omgaan met besmette dieren dienen te allen tijde strenge hygiënische maatregelen te volgen!

Jaarlijks hervaccineren is sterk aanbevolen. De grootste infectie bron is water (grachten, beekjes, …). Leptospirose kan dodelijk zijn.

Hondsdolheid

Hondsdolheid of rabiës is en ziekte die wereldwijd voorkomt, alhoewel sommige landen, o.a. door quarantainemaatregelen, rabiës vrij zijn. In Europa houden vossen het virusreservoir instant. Het virus heeft ook enkele specifieke eigenschappen:

• Het is infectieus voor verschillende warmbloeddieren
• Het is een zoönose
• De ziekte veroorzaakt zenuwverschijnselen, o.a. agressie, waardoor de ziekte verspreid wordt.
• De ziekte is ongeneeslijk

Het virus bevindt zich vooral in speeksel van besmette dieren. Infectie gebeurt meestal via bijtwonden. Het virus kan de huid niet penetreren maar wel de slijmvliezen. Het virus blijft niet lang infectieus in de omgeving.
De incubatie tijd bedraagt 2 weken tot 4 maanden, naar gelang de plaats van infectie en de hoeveelheid infecterend virus.
Er zijn twee klinische varianten bij deze ziekte:

• Een geëxciteerde vorm waarbij de hond vooral hallucinaties heeft en een agressief gedrag vertoont. Vervolgend zal een verlamming van de achterhand optreden en verlamming van de kopspieren (geeft speekselen en expressie verandering) met de dood tot gevolg.
• Bij de stille vorm is deze excitatie fase niet aanwezig en blijft het bij speekselen, moeilijk slikken en paralyse, met uiteindelijk coma en de dood tot gevolg. De tweede vorm is klinisch veel moeilijker te herkennen en men moet er steeds voor beducht zijn bij behandeling van zulke honden.

Er is geen behandeling. De honden worden geëuthanaseerd en het hersenweefsel moet via het ministerie van landbouw onderzocht worden. De ziekte is aangifteplichtig.
Preventie gebeurt via vaccinatie. De huidige vaccins geven3 jaar bescherming, maar wettelijke vereisten, export et, maken jaarlijkse vaccinatie bijna altijd verplicht (ze moeten ook 30 dagen op voorhad gebeuren door een door het ministerie van landbouw erkende dierenarts).

Infectieuze tracheobronchitits

Besmettelijke hoest, kennelhoest of infectueuze tracheobronchitis zijn slechts enkele namen voor deze zeer besmettelijke ziekte, die vooral voorkomt wanneer een groep honden in dezelfde ruimte samengebracht worden, zoals in kennels.
De luchtwegen van de hond bevatten verschillende soorten bacteriën die allen een rol spelen in de ontwikkeling van luchtwegaandoeningen. Van deze bacteriën wordt enkel Bordetella bronchoseptica ervan verdacht een actieve rol te spelen in de ontwikkeling van kennelhoest, samen met de volgende virussen:

• Canine adenovirus I (CAV-I)
• Canine adenovirus II (CAV-I)
• Canine parainfluenza virus (CPIV)
• Reovirus

Beide adenovirussen worden geassocieerd met het ontstaan van kennelhoest. De rol van het herpes- en reovirus in het ontstaan van kennelhoest is van minder belang.
Parainfluenza kan kennelhoest veroorzaken op een gelijkaardige manier als de adenovirussen, maar vooral de combinatie met Bordetella bronchoseptica is voorkennelhoest verantwoordelijk.

Kennelhoest wordt overgedragen door direct contact maar ook via aërosol, indien er zich honden in dezelfde ademruimte bevinden.
Het is duidelijk dat niet zozeer de micro-organismen zelf, maar wel de onderlinge combinatie en de combinatie met het milieu verantwoordelijk zijn voor het ontstaan van kennelhoest. Na inademing van de ziektekiemen zullen deze vermeerderen in de bovenste luchtwegen en binnen de 4 dagen de slijmvliezen aantasten. Hoe erg de symptomen zijn, gaande van een droge hoest tot een acute longontsteking, hangt af van de betrokken kiemen.
De behandeling is symptomatisch en bestaat uit hoestonderdrukkers en eventueel antibiotica tegen secundaire besmetting.
Besmette dieren moeten geïsoleerd worden.

Een eerste vaccinatie is aanbevolen vanaf 9 weken en soms vanaf 6 weken. Een volwassen hond dient elke jaar gevaccineerd te worden (ook wanneer de hond in een pension geplaatst wordt).

Infectieuze leverziekte

Deze virusziekte veroorzaakt letsels t.h.v.
• De lever
• De lymfeweefsels
• De endotheel van de bloedvaten
Of eventuele complicaties zoals:
• Nieraandoeningen
• “Blue eye”

De mortaliteit is hoog bij jonge dieren, waar het soms voorkomt als “sudden deaths”. Bij oudere dieren is de ziekte minder ernstig. De ziekte wordt veroorzaakt door 2 types adenovirussen: type I wordt geassocieerd met de klassieke symptomen, type II wordt vooral met kennelhoest geassocieerd.

De virussen kunnen tot 10 dagen in de omgeving virulent blijven. Sommige honden die de ziekte doorgemaakt hebben kunnen ook het virus blijvend uitscheiden in de urine tot 6 maand na de infectie. De infectie gebeurt dan ook niet enkel van hond tot hond, maar ook via de omgeving. Bij het type I zou de infectie vooral oraal verlopen; bij het type II via inhalatie.
Initieel gaat het virus vermeerderen in de lokale lymfeknopen. Indien er onvoldoende immuniteit aanwezig is zal het virus het beenmerg, de lever het lymfestelsel of het bloedvat endotheel aantasten met de typische gevolgen.  Indien er wel voldoende immuniteit aanwezig is, zal de ziekte niet het normale verloop kennen maar kan er door antigeen- antilichaam complexen toch nierbeschadiging of cornea letsels(=blue eye) optreden. Een eerste vaccinatie is aanbevolen vanaf 9 weken en soms vanaf 6 weken. Deze vaccinatie dient jaarlijks herhaald te worden.

Ontwormen

het is belangrijk om uw hond regelmatig te ontwormen.

Onderstaand schema toont de aanbevolen frequentie aan.
vanaf 6 weken tot 6 maanden : maandelijks ontwormen
vanaf 6 maanden  : om de 3 à 4 maanden ontwormen

Overige parasietenbestrijding

Hiermee hebben we het voornamelijk over vlooien en teken. U kan uw huisdier best op regelmatige basis preventief behandelen.  Afhankelijk van het product (pipet of halsband) dat u gebruikt, zal de behandelingsperiode verschillen.